Nehemiah 4

1) Sanballat

Zie boven, Neh. 2:10.

Ne 2.10

2) ontstak hij,

Hebreeuws, hem ontstak; te weten, de toorn, alzo Neh. 4:7.

Ne 4.7

3) zeer toornig;

Hebreeuws, veel, grotelijks.

4) tegenwoordigheid

Hebreeuws, voor het aangezicht.

5) heir

Om het krijgsvolk tegen de Joden op te hitsen en gaande te maken.

6) Zal men hen

Anders, zullen zij het oprichten, of opbouwen?

7) in een dag

Of, in dezen dag, alsof hij zeide: Menen zij het op dien dag te voleinden, op welken zij het hebben begonnen of besloten? Het zal hun mislukken.

8) levend maken,

Dat is, in vorigen stand herstellen.

9) hun stenen muur

Hebreeuws, den muur hunner stenen.

10) dat wij

Of, want zij zijn veracht.

11) zeer veracht

Hebreeuws, een verachting.

12) hun versmaadheid

Dat zij ons aandoen.

13) land der gevangenis.

Waarheen Gij hen zult mogen verstoten. Dit wenst Nehemia uit een heiligen ijver tot Gods eer, en tegen Gods en zijns volks bittere vijanden.

14) van voor

Dat is, alzo, dat Gij daarop niet zoudt letten om die te straffen; gelijk Jer. 18:23.

Jer 18.23

15) [U] getergd,

Hebreeuws, zij hebben getergd, of, tot toorn verwekt tegenover de bouwers. Anders, zij hebben de bouwlieden getergd, [staande] tegen [hen] over; te weten, als vijanden, die iemand als onder de ogen staan tergen.

16) bouwlieden.

Die op uw bevel en door uw genade zijn bouwende.

17) helft toe;

Versta, de helft der hoogte, de halve hoogte.

18) Ammonieten,

Zie 2 Kron. 20:1.

2Ch 20.1

19) verbetering

Hebreeuws, gezondheid, heling, genezing, pleistering, pleister. Alzo 2 Kron. 24:13. Vergelijk ook Jer. 8:22.

2Ch 24.13 Jer 8.22

20) toenam,

Hebreeuws, opklom, opkwam, opging; gelijk men van de gezondheid zou mogen zeggen dat zij opkomt, klimt, of opgaat, wanneer zij toeneemt en de mens meer en meer betert; idem, van een pleister, dat die op gedaan, of op gelegd wordt, en dat er een roof, of litteken op de wonde komt.

21) daarin te maken.

Of, hem, [namelijk Nehemia] te verbijsteren.

22) tegen hen,

Anders, over, of nevens hen, te weten, over de werklieden.

23) hunnenthalve.

Te weten, om der vijanden wil.

24) Juda:

Dat is, de Joden, het volk van Juda.

25) vervallen,

Zodat zij niet bekwaam zullen zijn om te strijden.

26) des stofs

Daar resteert nog veel te dragen, van zand, steengruis en aarde, van den gebroken en vervallen muur.

27) niet zullen

Als zullende moeten staan in de wapenen tegen den vijand. Zie Neh. 4:15. Anders, bouwende aan de muren, zullen wij de overhand niet hebben; als niet kunnende beide naar behoren doen.

Ne 4.15
28) Zij zullen

Dat is, wij zullen den aanslag zo beleiden, dat zij het niet wijs worden eer, enz.

29) tienmaal zeiden,

Dat is, veelmalen, dikwijls gewaarschuwd. Zie Gen. 31:7.

Ge 31.7

30) dewelke

Dat is, door welke men gewoon is heen en weder te gaan, dat is, door alle wegen en passen, waar men vandaar tot hier, en van hier tot daar kan komen.

31) in de benedenste

Hebreeuws, van de benedenste, of onderste delen der plaats, van achter, enz.

32) hoogten,

Of, uitstekende, spitse plaatsen van rotsstenen en rotsen, die alzo vanwege de wittigheid, blankheid, of, gladdigheid mogen genoemd zijn.

33) edelen,

Hebreeuws, witten; zie boven, Neh. 2:16.

Ne 2.16
34) jongens

Dat is, knechten, hovelingen, officieren, en zo dikwijls in het volgende.

35) achter het

Een iegelijk bij die van zijn huis, om met hun tegenwoordigheid en opzicht het volk moed te geven en het werk te bevorderen.

36) een ieder

Van dragers en opladers.

37) ene hand

Met dit hun doen zeer levendig afbeeldende den toestand der strijdende kerk op aarde, die steeds als met de ene hand moet bouwen aan het werk des Heeren, met de andere gereed zijnde tot afwering der geestelijke en lichamelijke vijanden.

38) geweer.

Versta, een werpgeweer, een werppijl, halve lans, enz.

39) de een ver

Hebreeuws, de man van zijn broeder.

40) het opgaan

Dat is, van den vroegen morgen tot den laten avond.

41) binnen

Hebreeuws, in het midden van, enz.

42) achter mij

Dat is, die mij volgden.

43) geweer

Vanwege het gevaar.

44) water.

Voor den dorst, omdat het in die landen heet was; zie 1 Sam. 26:11. Anders, een ieder [ging met] zijn geweer [om] water, of, een ieder trok zich uit ter bading.

1Sa 26.11
Copyright information for DutKant